De houding van Polen tegenover de Joden – Irena Sendler

Binnen de relaties tussen de Polen en Joden was de Tweede Wereldoorlog een katalysator voor relaties tussen beiden. Zowel diep menselijke en heldhaftige acties als brutale en onmenselijke acties vonden plaats.

Door het isoleren van de Joden, het zwaarder ontnemen van hun rechten dan die van de Polen, agressieve propaganda, het strafbaar stellen van hulp aan Joden en het belonen van samenwerking in de Holocaust, lukte het de Duitsers om deels de vooroorlogse solidariteit van de Polen en Joden tegenover de gezamenlijke vijand te doorbreken.

Abraham Grinbaum hield zich 3 jaar schuil bij de familie Grabar uit Gąbin. Foto getrokken in 1946. Geeft een blik op de schuilomstandigheden tijdens de oorlog. Foto: Joods Historisch Instituut Emanuel Ringelblum
Abraham Grinbaum hield zich 3 jaar schuil bij de familie Grabar uit Gąbin. Foto getrokken in 1946. Geeft een blik op de schuilomstandigheden tijdens de oorlog. Foto: Joods Historisch Instituut Emanuel Ringelblum

Anderzijds, zo vertelde één van de overlevenden, Henryk Schoenker, zou geen enkele Jood hebben overleefd zonder hulp van Polen. Sommigen hielpen voor geld, anderen hielpen volledig onbaatzuchtig, hun eigen leven en dat van hun naasten riskerend. Op het grondgebied van het Generaal-Gouvernement was er vanaf oktober 1941 de wet van kracht om hulp aan de Joden te elimineren. Ze voorzag in de executie van hele gezinnen door de Duitsers, zoals het gezin Ulma van 8 personen, vermoord voor het verbergen van enkele Joden in het dorp Markowa bij Łańcut in de periode van 1942 tot maart 1944. Bekend zijn ook voorbeelden van buitengewone inzet van personen die voor de oorlog bekend stonden dat ze onwillig tegenover de Joden stonden. Reeds in december 1939 bood de Franciscaanse Orde in het bij Warschau gelegen Niepokalanów – waar voor de oorlog een antisemitische krant werd uitgegeven – een onderduikplek voor meer dan duizend Joden die uit gebieden waren gedreven die aan het Derde Rijk waren toegevoegd. De belangrijkste ondergrondse organisatie die zich bezig hield me het redden van Joden – de Raad voor hulp aan Joden Żegota (Rada Pomocy Żydom Żegota) werd opgericht op initiatief van o.a. de schrijfster Zofia Kossak-Szczucka, die voor 1939 geen geheim maakt van haar antisemitische denkbeelden. Katholieke priesters leverden vaak geboortecertificaten om “Arische” documenten te maken. Irena Sendler (1910-2008), dankzij de hulp van vele medewerkers, heeft in het kader van Żegota ongeveer 2 500 Joodse kinderen gered, door ze niet alleen onder te brengen bij Poolse gezinnen maar ook in weeshuizen die door de Katholieke kerk geleid werden.

Tijdens het tweede deel van de Duitse bezetting (1942-1944) kwam het steeds vaker tot schandelijk gedrag, zoals het verklikken of het afpersen van Joden die ondergedoken zaten buiten het getto, het zgn. szmalcownictwo. Ook werden Polen aangegeven die hulp boden aan Joden of hen hielpen onder te duiken. Verwerpelijk was de houding van een deel van de Poolse politie, de zgn. blauwe politie (granatowa policja), en de brandweerlui, die door de Duitsers werden gebruikt als hulp bij de liquidatie van de getto’s. Aan deze operaties werkten ook de Duitse politie en afdelingen van de SS mee, evenals de Joodse Ordedienst (Ordnungsdienst, Żydowska Służba Porządkowa). Op het platteland hielpen boeren regelmatig bij het zoeken naar ondergedoken Joden. Dat werd gedaan zowel uit angst voor repressies als uit materieel gewin. Er werden ook Joden vermoord door verzetsgroeperingen. In het gebied dat bezet was geweest door de Sovjets, werden Joden onder voorwendsel van collaboratie met de communisten in de jaren 1939-1941, slachtoffer van door de Duitsers geïnspireerde pogroms. Berucht zijn, maar zeker niet de enige, de moordpartijen op Joodse buren in Jedwabne, Wąsosz en Radziłów in juli 1941.

Er moet echter duidelijk gemaakt worden dat de Poolse regering in ballingschap en de daaraan gelieerde ondergrondse verzetsbeweging, aan de zijde van haar Joodse medeburgers stond. Ze sprak doodstraffen uit voor mensen die Joden afpersten en riep de Polen op om hulp te bieden aan de Joden. In naam van de Poolse Ondergrondse Staat en de Poolse regering in ballingschap alarmeerde Jan Karski de Britse en Amerikaanse leiders over de uitroeiing van de Joodse bevolking door de Duitsers (zie Jan Karski). Enkele tien- tot honderdduizenden Poolse burgers waren betrokken bij de hulp aan Joden in het bezette Polen. Er zijn meer dan 700 gevallen bekend van Polen die de hoogste prijs hebben betaald voor het helpen van Joden. De Polen zijn vandaag de grootste groep die onderscheiden zijn voor hulp aan Joden door Yad Vashem in Jeruzalem als Rechtvaardigen onder de Volkeren (ongeveer 6 500 personen op een totaal van 25 700, volgens het aantal in 2015).