De Poolse strijdkrachten in het Westen

De militaire deelname aan de anti-Duitse coalitie had voor de Poolse regering in ballingschap de hoogste prioriteit. Ondanks het feit dat de Poolse eenheden het conflict niet op grote wijze konden beïnvloeden (hoewel ze tijdens de Slag om Engeland en de doorbraak van de zgn. Gustav-linie een significant aandeel hadden), onderstreepten zij wel de continuïteit van de Poolse staat, haar aandeel in de strijd en zij versterkten het geloof dat er een rechtvaardigde compensatie na afloop van de oorlog zou zijn. Het leger speelde ook een significante rol tijdens de bevrijding van Polen. Toch vochten 200 000 soldaten van de Poolse strijdkrachten in het Westen (Polskie Siły Zbrojne na Zachodzie, PSZ) buiten Polen.

Malestroit (Frankrijk), 10 april 1940. De eed van de soldaten van de Brigade van de Podhaleschutters. Foto: Pools Instituut en het Generaal Sikorskimuseum in Londen / Centrum Karta
Malestroit (Frankrijk), 10 april 1940. De eed van de soldaten van de Brigade van de Podhaleschutters. Foto: Pools Instituut en het Generaal Sikorskimuseum in Londen / Centrum Karta

1. Van Narvik tot Wilhelmshaven

In de lente van 1940 telden de Poolse eenheden in Frankrijk ongeveer 80 000 soldaten en officieren. Ze werden voor het eerst gebruikt tijdens de strijd in Noorwegen, in de Slag om Narvik in april 1940 (de Onafhankelijke Infanteriebrigade “Podhale”) en daarna in de Franse campagne (mei-juni 1940). Na de val van Frankrijk lukte het slechts weinigen van hen (ongeveer 18 000 soldaten) om te evacueren naar Groot-Brittannië. De rest raakte verspreid, werd gevangen genomen of geïnterneerd. De ontwikkeling van de PSZ werd gehinderd door een gebrek aan mankracht. Wervingscampagnes in de Verenigde Staten en in Zuid-Amerika mislukten en de personeelsproblemen werden pas minder toen in 1942 het Poolse leger uit de Sovjet-Unie werd geëvacueerd, onder leiding van generaal Władysław Anders en dankzij de vele Polen die gedwongen waren dienst te nemen in de Wehrmacht en krijgsgevangen waren gemaakt door de geallieerden (tot eind 1944 ongeveer 22 000). Vanaf de eerste gevechten in Frankrijk en Duitsland kwam een stroom van Polen die daar verbleef (gedwongen arbeid, krijgsgevangen) en zich aansloot bij de Poolse strijdkrachten.

Breda (Nederland), 11 november 1944. Optocht van de soldaten van de Eerste Pantserdivisie onder bevel van generaal Stanisław Maczek die de stad hebben bevrijd. Foto: Pools Instituut en het Generaal Sikorskimuseum in Londen / Centrum Karta
Breda (Nederland), 11 november 1944. Optocht van de soldaten van de Eerste Pantserdivisie onder bevel van generaal Stanisław Maczek die de stad hebben bevrijd. Foto: Pools Instituut en het Generaal Sikorskimuseum in Londen / Centrum Karta

Het in Groot-Brittannië opgerichte Eerste Poolse Korps van de PSZ nam vanaf augustus 1944 deel aan de strijd in Frankrijk, België, Nederland en Duitsland.

De Eerste Pantserdivisie onder leiding van Stanisław Maczek onderscheidde zich tijdens de veldslagen bij Falaise en Chambois in Normandië in augustus 1994, en van september tot november bij Gent, Antwerpen, Breda en Moerdijk. In september 1944 nam de Eerste Onafhankelijke Parachutistenbrigade van generaal Stanisław Sosabowski deel aan operatie Market-Garden. In april en mei 1945 vochten Poolse pantsereenheden in Noordwest-Duitsland, waarbij ze op 6 mei de Kriegsmarine-basis in Wilhelmshaven veroverden en de capitulatie van het garnizoen in ontvangst namen. Na de oorlog bleef een groot deel van de soldaten van de PSZ, vooral dat deel afkomstig uit de oostelijke provincies van de Republiek, in ballingschap in het westen achter.

De enige soldaten van de PSZ die daadwerkelijk in Polen vochten waren de 316 zgn. cichociemni (de “geruisloos en onzichtbaar”), oftewel uitstekend getrainde soldaten, die in de periode van februari 1941 tot december 1944 in het bezette Polen gedropt werden om het verzet te ondersteunen. “Cichociemny” waren bijvoorbeeld de laatste commandant van het Binnenlandse Leger (Armia Krajowa, AK), generaal Leopold Okulicki en kolonel Kazimierz Iranek-Osmecki, lid van de militaire leiding van de AK.

2. Van Tobroek naar Bologna

Tobroek (Libië), 1941. Soldaten van de Brigade van de Karpatenschutters op post in de loopgraven. Foto: Pools Instituut en het Generaal Sikorskimuseum in Londen / Centrum Karta
Tobroek (Libië), 1941. Soldaten van de Brigade van de Karpatenschutters op post in de loopgraven. Foto: Pools Instituut en het Generaal Sikorskimuseum in Londen / Centrum Karta

De in Syrië opgerichte Onafhankelijke Karpatische Infanteriebrigade bleef het lot bespaard van de eenheden die in 1940 in Frankrijk vochten. Overgeplaatst naar Palestina (destijds onder Britse controle), nam deze brigade van augustus 1941 tot begin 1942 deel aan de strijd in Noord-Afrika, onder andere in de verdediging van het belegerde Tobroek. Deze brigade en de eenheden opgericht in 1941-1942 in het Poolse leger in de Sovjet-Unie (later informeel vernoemd naar de bevelhebber, generaal Anders: het Leger van Anders), werd in 1942 geëvacueerd naar het Midden-Oosten (bijna 80 000 soldaten) en vormde de basis van het Tweede Poolse Korps onder bevel van generaal Władysław Anders.

Monte Cassino (Italië), 24 mei 1944. Generaal Władysław Anders, aanvoerder van het Tweede Poolse Korps, bij de ruïnes van het Benedictijnenklooster dat werd veroverd door Poolse troepen. Foto: Pools Instituut en het Generaal Sikorskimuseum in Londen / Centrum Karta
Monte Cassino (Italië), 24 mei 1944. Generaal Władysław Anders, aanvoerder van het Tweede Poolse Korps, bij de ruïnes van het Benedictijnenklooster dat werd veroverd door Poolse troepen. Foto: Pools Instituut en het Generaal Sikorskimuseum in Londen / Centrum Karta

Dit korps, dat eind 1943-begin 1944 overgeplaatst werd naar Italië, vocht tot het einde van de oorlog in Italië. De eerste veldslag van het Tweede Korps, die meteen legendarisch werd, was de verovering van het kloostercomplex op Monte Cassino, gefortificeerd en goed verdedigd door Duitse elitetroepen. Tijdens de bloedige strijd (er sneuvelden 860 soldaten van het Tweede Korps en bijna 3 000 raakten gewond) werd de tegenstand van de vijand op 18 mei 1944 gebroken, hetgeen een doorbraak mogelijk maakte door de zgn. Gustav-linie. Daarna nam het korps deel aan de doorbraak van de Hitler-linie en de Gotische linie (waarbij de strategische stad en haven Ancona werd ingenomen). De laatste veldslag van het Tweede Korps was de inname van Bologna op 21 april 1945.

Na de oorlog keerde alleen een klein deel van de soldaten van het Tweede Korps terug naar Polen, voornamelijk Polen uit Silezië en Pommeren die eerder in het Duitse leger hadden gediend. De meesten, vooral die afkomstig uit de oostelijke woiwodschappen (provincies) van de Tweede Republiek dat in 1944 werd geannexeerd door de Sovjet-Unie, bleven in ballingschap achter in het Westen.

Bologna (Italië), april 1945. Soldaten van het Tweede Poolse Korps in de bevrijde stad. In de auto de generaals Zygmunt Szyszko-Bohusz i Klemens Rudnicki. Foto: Pools Instituut en het Generaal Sikorskimuseum in Londen / Centrum Karta
Bologna (Italië), april 1945. Soldaten van het Tweede Poolse Korps in de bevrijde stad. In de auto de generaals Zygmunt Szyszko-Bohusz i Klemens Rudnicki. Foto: Pools Instituut en het Generaal Sikorskimuseum in Londen / Centrum Karta