Gedwongen migratie en uitzetting van Polen

Tijdens de oorlog ervaarden de Polen beide totalitaire systemen, het Duitse en het Sovjet-systeem “die de uitgewezen bevolking vernederde met pseudowetenschappelijke rechtvaardigingen voor de gedwongen migratie één of andere kant op” (Hans Lemberg)

Reeds eind 1939 werd in Berlijn gepland om enkele miljoenen Polen en Joden te verjagen uit de Poolse gebieden die geannexeerd zouden worden door het Derde Rijk. Uiteindelijk werden tot het voorjaar van 1941 minimaal 850 000 mensen op brute wijze uit hun huis gejaagd, waarbij zij alle bezittingen kwijtraakten. Ongeveer 365 000 van hen werden naar het Generaal-Gouvernement gedeporteerd. Als eersten werden de vertegenwoordigers van de elite verjaagd, als dragers van de Poolse cultuur in die gebieden en die de basis zouden kunnen vormen van het verzet.

De Sovjet-bezetter van de oostelijke gebieden van de Republiek had een vergelijkbaar uitgangspunt: de eersten die werden gedeporteerd waren de officieren, politieagenten, militaire families, ambtenaren, landeigenaren, vertegenwoordigers van de middenklasse of rijke boeren. De eerste massale deportatie vond plaats ‘s nachts van 9 op 10 februari 1940. De laatste, vierde, deportatie eindigde letterlijk enige dagen voor de aanval van Duitsland op de Sovjet-Unie in juni 1941. In totaal zijn ongeveer 330 000 Poolse ingezetenen (Polen, Joden, Wit-Russen en Oekraïners) naar Kazachstan, Oezbekistan en Siberië gedeporteerd. Velen van de gedeporteerden stierven als gevolg van de slechte omstandigheden of de onmenselijke behandeling door de Sovjets onderweg of tijdens het verblijf in Siberië of Kazachstan. Een deel van hen overleefde en zou zowel het leger van Anders aanvullen als het Poolse “Volksleger”.

Een groep van militaire kolonisten uit Wolhynië werden op 10 februari 1940 samen met hun families gedeporteerd naar de Sovjet-Unie. Ze werden in april 1941 gearresteerd door de NKVD en vastgehouden in een ondervragingsgevangenis in Vologda. Ze werden bevrijd in september 1941 na het bestand tussen Władysław Sikorski en Ivan Majski. Deze foto werd direct na hun vrijlating genomen. Foto: auteur onbekend, Centrum Karta
Een groep van militaire kolonisten uit Wolhynië werden op 10 februari 1940 samen met hun families gedeporteerd naar de Sovjet-Unie. Ze werden in april 1941 gearresteerd door de NKVD en vastgehouden in een ondervragingsgevangenis in Vologda. Ze werden bevrijd in september 1941 na het bestand tussen Władysław Sikorski en Ivan Majski. Deze foto werd direct na hun vrijlating genomen. Foto: auteur onbekend, Centrum Karta

Als de Sovjet-Unie door het Derde Rijk verslagen zou zijn dan was het mogelijk geweest om het door Heinrich Himmler aanbevolen General Plan Ost uit te voeren, waarbij de planning was om 40 tot 45 miljoen mensen achter de Oeral te deporteren, waaronder de Polen. De proeftuin van die operatie zou de regio rond Zamość zijn, waar in de periode van november 1942 tot augustus 1943 ongeveer 300 Poolse dorpen bewoond door 110 000 personen getroffen werden door de gedwongen verhuizingen. Deze actie, die op een buitengewoon brute wijze werd uitgevoerd, is één van de meest bekende manifestaties van de de politiek van de bezetter in Polen en de regio is één van de symbolische herdenkingsplaatsen.

Voor zover de gedwongen migraties in de regio Zamość exact gepland waren, was één van de grootste gedwongen migraties tijdens de Tweede Wereldoorlog – de exodus van enkele honderdduizenden inwoners van Warschau na het neerslaan van de opstand in 1944 – een quasi-spontane beslissing. De uitzetting van de bewoners van het deel van Warschau ter linkerzijde van de Wislarivier en de verwoesting van een groot deel van de stad dat ongeschonden was gebleven tijdens de opstand, was bedoeld als straf en afschrikking voor de Poolse samenleving en als voorbeeld voor de rest van het nog bezette Europa.

Tevens begon in het najaar van 1944 de uitzetting (algemeen en foutief “repatriëring” genaamd) van Polen uit de oostelijke gebieden van de Republiek, van achter de Bugrivier, de nieuwe grens. Omgekeerd werden Poolse Oekraïners en Wit-Russen uitgezet. Beide migraties, ondanks het feit dat ze gebaseerd waren op internationale verdragen, verschilden vaak niet van de uitzettingen en deportaties tijdens de oorlog.

De burgerbevolking werd uit Warschau verdreven sinds het begin van opstand in augustus 1944. Ze werden eerst naar een doorgangskamp in Pruszków gevoerd en vandaaruit naar Duitsland voor dwangarbied of naar een concentratiekamp zoals Auschwitz, Mauthausen of Gusen. Op de foto: een kolonne inwoners van Warschau bereikt het kamp in Pruszków, september 1944. Foto: Museum van Warschau
De burgerbevolking werd uit Warschau verdreven sinds het begin van opstand in augustus 1944. Ze werden eerst naar een doorgangskamp in Pruszków gevoerd en vandaaruit naar Duitsland voor dwangarbied of naar een concentratiekamp zoals Auschwitz, Mauthausen of Gusen. Op de foto: een kolonne inwoners van Warschau bereikt het kamp in Pruszków, september 1944. Foto: Museum van Warschau