Het dagelijkse leven onder de bezetting

In het collectieve Poolse geheugen over de Tweede Wereldoorlog wegen gebeurtenissen zoals Monte Cassino of de opstand van Warschau het zwaarst. In werkelijkheid was het belangrijkste Poolse gevecht in die tijd het dagelijkse gevecht van de bevolking om te overleven.

De literatuurhistoricus Kazimierz Wyka schreef dat de Poolse bevolking reeds aan het begin van de bezetting voor een simpel dilemma kwam te staan: “aanpassen aan datgene dat je mocht eten en dood gaan van de honger of – op één of andere manier zien te overleven”. Volgens de plannen van de Duitsers moesten de bezette Poolse gebieden vooral een bron van voedsel en goedkope arbeidskrachten zijn. Het eerste streven was verbonden met de uithongering van de lokale bevolking. In het slechtste geval moesten inwoners van de stad, zowel arbeiders als hoger opgeleid, dwangarbeid verrichten – vaak te zwaar – en voor een hongerloon. Met zijn dagloon in 1941 had een arbeider in Warschau net genoeg om 400 gram brood op de vrije markt te kopen. Het was echter noodzaak omdat de officiële rantsoenering van brood niet alleen te verwaarlozen was maar ook moeilijk beschikbaar. Om te overleven was het nodig om de opgelegde Duitse wetgeving te overtreden, waarbij je dagelijks het risico liep naar een concentratiekamp te worden gestuurd of zelfs direct je leven te verliezen. Arbeiders “privatiseerden” effectief en stalen uit Duitse fabrieken, de illegale productie en handel bloeide. Dorpen, ondanks de enorme en restrictieve leveringen, waren in staat om een surplus te produceren waardoor de bewoners van steden konden overleven. De zwarte markt werd eenvoudigweg een integraal deel van de economie. Soms ontstonden ook echte illegale ondernemingen, met eigen vervoer, leveranciers en distributeurs.

Zoals eerder aangegeven moest Polen het nationaal-socialistische Duitsland de ontbrekende arbeidskrachten aanvullen. Gedwongen arbeid vond plaats zowel ter plekke in bezet Polen als in het Derde Rijk. Na de Septembercampagne van 1939 werd de status van ongeveer 400 000 krijgsgevangen soldaten gewijzigd van krijgsgevangen naar civiel arbeider. Tijdens de hele oorlog moesten ongeveer 2,8-3 miljoen Poolse burgers dwangarbeid verrichten – het meest tragisch in de industrie, met name de wapenindustrie. Alle dwangarbeiders vielen onder een ongewoon harde discipline en zelfs voor de kleinste vergrijpen, zoals het ontbreken van de letter “P” op het uniform, of naar de bioscoop gaan, dreigden zweepslagen of het concentratiekamp. Omdat ze vaak op het fabrieksterrein woonden, kwamen veel dwangarbeiders ook om bij bombardementen. De ervaringen van dwangarbeiders op het platteland waren diverser van aard: soms werden de arbeiders als een lid van het gezin opgenomen en soms werden ze als üntermenschen behandeld.

De meeste dwangarbeiders wilden gewoon overleven, maar velen namen deel aan de strijd, door bijvoorbeeld het plegen van sabotage of het verzamelen van inlichtingen.