Het Ondergrondse Leger

Het aangaan van de gewapende strijd tegen de bezetter was reeds in het najaar van 1939 een uitgemaakte zaak voor twee groepen: voor officieren van het overwonnen Poolse leger en voor jonge mensen, geboren en opgegroeid in een vrij Polen, voor wie het verzetswerk een vrijwillige keuze was; die generatie werd vanaf de publicatie van het boek van Roman Bratny de “Columbus-generatie” genoemd.

Al vroeg in het begin van de Duitse en Sovjetbezetting ontstonden spontaan talrijke, vooral kleine, clandestiene gewapende organisaties. Opgericht door officieren, scouts, studenten, middelbare scholieren, vaak zonder het in acht nemen van de basisprincipes van clandestien verzetswerk, werden ze snel opgerold door de bezetters of opgenomen in een grotere organisatie. Aan grote organisaties ontbrak het niet, omdat bijna elke politieke partij een eigen gewapende macht creëerde. De boerenpartij creëerde de Boerenbataljons (Bataliony Chłopskie), de socialisten de Volksgarde (Gwardia Ludowa) en het Poolse Volksleger (Polska Armia Ludowa), de nationalisten de Nationale Militaire Organisatie (Narodowa Organizacja Wojskowa), de Nationale Strijdkrachten (Narodowe Siły Zbrojne), de communisten de Volksgarde/Volksleger (Gwardia/Armia Ludowa). De grootste organisatie was echter de sinds het najaar van 1939 opgerichte Dienst voor de Overwinning van Polen (Służba Zwycięstwu Polsce), onder bevel staand van de regering in ballingschap. In november 1939 wijzigde de naam in de Bond voor Gewapende Strijd (Związek Walki Zbrojnej, ZWZ) en in 1942 in het Binnenlandse Leger (Armia Krajowa, AK). In het kader van het samenvoegen en bundelen van de krachten werden de meeste bovengenoemde organisaties (met uitzondering van de communisten en een deel van de nationalisten) opgenomen in de AK. In 1944 telde de AK ongeveer 380 000leden die de eed hadden afgelegd, waarvan er uiteindelijk 110.000 onder de wapenen gemobiliseerd konden worden toen het moment daar was.

Het AK, en daarvoor de ZWZ, werd geleid door het opperbevel, de militaire leiding, aan wiens hoofd vanaf 1940 tot zijn arrestatie in juni 1943, generaal Stefan Rowecki-“Grot” stond, vervolgens generaal Tadeusz Komorowski-“Bór” (tot 2 oktober 1944) en tenslotte generaal Leopold Okulicki-“Niedźwiadek” (tot de ontbinding van de AK op 19 januari 1945). De AK was georganiseerd volgens de structuren van een regulier leger, met een staf, een eigen krijgsraad, een militair ordinariaat, en een territoriale administratie. De AK opereerde niet alleen in het bezette Polen maar ook in Duitsland, in de Sovjet-Unie en in Hongarije, waar ze zowel sabotage-acties als inlichtingenwerk verrichte.

Soldaten van het peloton van onderluitenant Tadeusz Nowicki “Orlik”, onderdeel van de groepering “Kampinos” van het AK tijdens Actie “Burza”, 1944. Foto: Nationaal Herinneringsinstituut (IPN)
Soldaten van het peloton van onderluitenant Tadeusz Nowicki “Orlik”, onderdeel van de groepering “Kampinos” van het AK tijdens Actie “Burza”, 1944. Foto: Nationaal Herinneringsinstituut (IPN)

Het doel van het ondergrondse leger was een algemene opstand ontketenen, maar de regering in ballingschap was vanaf het begin tegen – uit vrees voor represailles tegen de burgerbevolking – al te actieve gewapend verzet, vooral als partizaan. Gepoogd werd de acties te beperken tot propaganda-acties, inlichtingen verzamelen, afleidingsmanoeuvres, sabotage, bescherming van de bevolking, straffen uitvoeren op collaborateurs of op de meest gevaarlijke vertegenwoordigers van de bezettende macht. In totaal voerden eenheden van het AK (en van de ZWZ) in de jaren 1940-1944 ongeveer 730 000 van dergelijke acties uit.

Tot open, gewapende strijd kwam het medio 1944 in het kader van de zgn. Actie “Burza” (zie Actie “Burza”), die culmineerde in de Opstand van Warschau, het langste en bloedigste gevecht tussen Poolse en Duitse eenheden sinds september 1939. De nederlaag betekende ook het einde van actieve operaties van de AK, die daarna alleen nog ten doel had de burgerbevolking te beschermen. Op 19 januari 1945, een week na het begin van het grote offensief van het Rode Leger, gaf generaal Okulicki het bevel tot ontbinding van de AK. Hij was zich er echter van bewust dat de strijd niet beëindigd was en gaf daarom ook het bevel om de organisatiestructuren intact te houden en de wapens te verbergen. Er begon een nieuw hoofdstuk in de geschiedenis van het Poolse verzet, waar de tegenstander anders was maar het doel hetzelfde: een onafhankelijk en democratisch Polen.